Delen     Populaire blogs     Volgende blog Ľ
Blog maken     Inloggen
_
_
Catrien, de Vreemde Vrije Vroege Vogel
Mijn leven met mijn interesses
_
Home__Weblog__Prikbord__Fotoblog__Videoblog__Foto's__Links__Gastenboek__Vrienden__Zoeken__Tip__Login
_

Welkom op mijn Weblog


voor ieder wat wils, wil je als gast reageren vergeet dan niet je naam erbij te zetten.



Mijn Profiel

Catharina70
Ik ben nu offline

• Mijn profiel
• Privť bericht sturen
• Als vriend toevoegen

Toevoegen als weblog vriend






Zoeken in Google
_



CategorieŽn Overzicht




Laatste Weblog artikelen

Ad Gerritsen 2 en Femmes Fatales
10 december 2018 07:31

Jeugdzonde
10 december 2018 07:13

LXIV & LXV
10 december 2018 07:07

Japan
10 december 2018 06:54

Zondags thema Aardappelen en Uien
09 december 2018 07:57




Fotoboeken


Wandeling Utrecht Terwijde 1 (26)
_
De ontmoeting met Joost (30)
_

Erasmusbrug (27)
_
Zandvoortse sloppies 2 (26)
_

Bruce Davidson (37)
_
Zondags thema Zoet (21)
_






Weblog Vrienden


Nog geen weblog vrienden toegevoegd.



Gastenboek berichten




Watskeburt Op 50plusser.nl

Door IneMaartje om 19:02
_
Nieuwe Club reactie geplaatst

Door grejo om 19:01
_
Grejo Online

Door mellina om 19:01
_
Nieuwe Reactie geplaatst

Door SiebevanderBij om 19:00
_
Nieuwe Reactie geplaatst

Door herma1950 om 19:00
_
Herma1950 Online

Door Saga om 18:59
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door SiebevanderBij om 18:59
_
Nieuwe Reactie geplaatst

Door jembee om 18:59
_
Jembee Online





_

Andere artikelen



Uit het land van Kokanje




1

Daar leefde – het sprookje schijnt waar op mijn eer –
Een moedige, goedige koning weleer;
In zijn zalige jeugd
Had de roem hem verheugd,
Nu woonde hij stil in het land van Kokanje,
Hield veel van zijn volk en nog meer van – champagne.

2

Aan tafel, bij ’t schuimen van d’ edelen wijn,
Met makke ministers aan ’t geurig festijn,
Sloeg hij dikwijls een ui,
In een lustige bui,
En schreeuwde, verrukt door de flesch die hem lief was!
Dat de eerste minister een oolijke dief was!

3

Hij scheen met die heeren bepaald familjaar,
Vaak zaten ze laat in den nacht bij elkaêr,
Met een eerlijken roes,
In een heerlijken soes,
En brachten het verder in snuggere zetten,
Dan ’t slimste, dan ’t leepste der staats–kabinetten.

4

Het hof van mijn prins was aardig als geen
Zijn Rijkskanselier was zijn Hofnar meteen:
’t Was een schrandere borst,
Hij kwam goed bij zijn vorst,
Want wie was zoo bemind als de Heer van Kokanje
Of geestig als hij, bij een beker champagne?

5

Eens, ’t was op een duchtig en kluchtig soupé:
Riep de vorst aan ’t dessert: „Eh, v’là une idée!
O mijn zotskap, mijn Floor,
Leen mij aanstonds het oor;
Ik zeg u, o puik aller grootkanselieren!
Ik wil al mijn vrindjes met lintjes versieren.

6

Ik wacht u op morgen bij tijds aan ’t paleis,
Dan trekken wij fluks met ons tweetjes op reis,
Naar den Graaf Cantenae
En den Prins van Pauillac,
Et caetera, ’k zal eerst maar de heeren beschenken
En dan wel mijn domme Kokanjers bedenken.

7

„Dat niemand het doel van ons toertje verklap’
Want dan heb ik eer noch pleizier van de grap!
Floor, we rukken er heen
Met ons beidjes alleen:
En moge, als de vrienden niet wonder verrast zijn,
Mijn hoogheid geen prins en jou zotheid geen kwast zijn!”

8

En d’anderen morgen voor dag en dauw,
– De stad was nog stil en de katjes nog grauw,
Daar kwam jolig en vlug,
Met een zak op den rug,
Ons rijkskanseliertje, de bloem aller gekken,
Met aardige deuntjes zijn Majesteit wekken!

9

Een vloek en een zucht, en de Prins stond gekleed,
Gepoetst en gespoord tot den aftocht gereed;
Hij gaf Floor een sigaar
– Allergruwelijkst zwaar –
En ’t geestigste paar uit het land van Kokanje
Trok heen – na eens stevig ontbijt met champanje.

10

Maar nauwlijks zit Floorneef nog stevig en vast,
Of Sire roept uit: „Wat is dat voor een last?
Wat behelst, groote mug,
Toch die zak op je rug?”
„Ik ben kanselier,” – zegt de Nar – „dat zijn lintjes
En kroontjes en kruisjes voor jou en je vrindjes!”

11

De koning werd nurks, maar hij vond toch per slot
’t Idée niet zoo gek en zijn Hofnar vrij zot,
En het tochtje ging voort,
Amuzant, ongestoord,
Het zonnetjes scheen, en zij zongen en kusten
De lieve Kokanjesche meisjes met lusten!

12

Zij naadren de grens al in wilden galop,
Daar krijscht het opeens: „Stop, je Majesteit, stop!
En ontdaan en vervaard
Tuimelt Floor van zijn paard,
En rolt op zijn zak: „Ik heb alles verloren!
Genade, genade voor mij en mijn ooren!”

13

De koning verschrikte, werd rood en werd bleek:
– „Wat leelijke zotskap, wat? Spreek of ik steek
Dezen dolk, domme dwerg,
Door je been en je merg!....”
– „Och,” snikt hij, „Sint Jozef! hoe kon het gebeuren,
Heeft Sire te–met niet mijn zak hooren scheuren?”

14

„Om duidlijk te spreken, genadige vorst,
Die zak, vol met ridders! zoo dapper getorst,
Hij is leeg – als mijn hand!
Als de schatkist van ’t land!
We hebben zoo holderdebolder gereden....
Kijk, alles is hier door dit gaatje gegleden.” –

15

De goedige koning keek donker en zuur,
Maar hield zich niet goed op den duur bij ’t figuur
Van den rollende Nar,
En hoe bitter en bar
In ’t eerst ook zijn vorstlijke stem had geklonken,
Hij had in zijn hart al vergeving geschonken.

16

– „Mijn Rijkskanselier, zijn uw tranen oprecht?”.....
„Ze zijn,” snikt de Hofnar, „als paarlen zoo echt.”
– „Nu rijs op dan, en vlug
Naar de stad maar terug!
Den zak weer gevuld in het land van Kokanje....
Betaal onderweg voor je straf mijn champanje!”

17

De reis ondertusschen van ’t hoofd van den staat
Was lang in Kokanje bekend en bepraat;
Och, geheimen meestal
Zijn publiek overal;
Maar meer nog! op markten en straten en wegen,
Alom kwam men lintjes en ordetjes tegen.

18

Dié had het bekoorlijk, verlokkend sieraad
Gekocht van een Jood of een beedlaar op straat,
En dié vond het op weg
In een goot of een heg;
Dié liep er met drie, dié met zes, dié met negen;
Een vierde weêr had het door vrouwlief gekregen.

19

Dié kreeg het uit achting kadeau van een vrind,
En dié zocht zich blind om een leeuw van een lint;
’t Werd besteld en gezocht
En geruild en verkocht....
De knappen, die ’t vonden, zij lachten en dachten:
Het beste is den afloop van ’t grapje te wachten.

20

„De koning keert weêr!” roept de faam door het land,
De Riddertjes raken geducht in den brand.
Maar een oud–advokaat
Gaf hun eindlijk den raad,
Naar ’s rijks kanselier met de vondst zich te wenden,
Of – franko – ’t kleinood naar de hofstad te zenden.

21

De koning keert weêr, nu bekend en begroet:
Men joelt op zijn weg en men wuift met den hoed:
Daar op eens door ’t gemeen
Dringt een manneke heen,
En legt aan den voet van den vorst van Kokanje
Twee starretjes neêr en – een rolletje franje.

22

En Sire, geroerd door zoo’n eerlijken borst:
„Voor u!” – roept hij uit – „een geschenk van uw vorst!
Hoû het vrij, goede vrind,
En blijf steeds wélgezind....
Maar pas is die uitslag, zoo gunstig, vernomen,
Daar krielt het van eerlijke luidjes bij stroomen.

23

De goedige koning bleef goed en royaal,
Trakteerde de zaak op een vorstlijke schaal,
En de rijkskanselier
Had een gloeiend pleizier,
Men dronk hem ter eer alle dagen champagne
En ’t feest nam geen end in het land van Kokanje.

24

De wijzen alleen bleven stilletjes thuis
En hielden zich af van het vroolijk gedruis,
En zij kermden: „Helaas,
Zijn de menschen toch dwaas!
Kan de eer, door het toeval ook zotten geschonken,
Het hart van den eerlijken wijsgeer ontvonken!”

25

Daar leefde – het sprookje schijnt waar op mijn eer –
Een moedige, goedige koning weleer,
En op aarde geen rijk
Eens het zijne gelijk!
Nu ligt alles stil in het land van Kokanje,
Al prijkten er velen met lintjes en franje!

P.A. de Génestet (1829-1861)






Geplaatst op 07 december 2018 07:24 en 157 keer bekeken



Deel dit artikel via:





_
R
eacties van leden


Je reactie
Naam   Gast
Reactie   
  _
Captcha_Beveiligingsvraag

Welk dier is dit?
_





_
Catharina70  
07 dec 2018 07:25
Hoe dit tot stand is gekomen wil je niet weten en nog is het niet goed
en wie het leest komt in het boekje

Ofsen  
08 dec 2018 11:52
Wauw. wat een lange. Zijn de mensen toch dwaas? Heel goed opgemerkt. Inderdaad, niet normaal tegenwoordig.
_





_
Catharina70  
08 dec 2018 15:16
Wat een taalgebruik en al zo lang geleden. toch helemaal gelezen? knap hoor.